Motorrijden

Motorrijden is een van mijn grootste hobby’s. Het gevoel van vrijheid, de acceleratie, de sensatie en spanning die heel ontspannend kan zijn. Alleen andere motorrijders begrijpen dat gevoel. Net als ik worden ze wat recalcitrant als anderen je proberen te overtuigen van de gevaren. Of meteen alle stereotypen uit de kast halen. Verwijzingen naar de Hells Angels of Satudarah. herrie, stank, asociaal gedrag. En dan zijn er nog de grapjassen die je een beetje belachelijk maken met de vermeende midlife crisis, de geheel lederen outfit die toch wel op latente gevoelens moet duiden en je 250 kg zware 1100 cc die ze steevast een brommer noemen. Zo grappig!

Bert_Motor_Pals.jpg

Als specialist in letselschade ben ik me als geen ander bewust van de risico’s die verbonden zijn aan het motorrijden. In de jaren bij Pals heb ik heel veel motorrijders als klant gehad. Vaak met zware letsels. Breuken, amputaties, ernstige verlammingen en zelfs een hoge dwarslaesie. Als ik het zo opschrijf vraag ik me toch weer even af wat me bezielt. Oh ja, dat had ik al gezegd. Dat ik zelf motor rij maakt dat ik me wel goed in het slachtoffer kan verplaatsen. In ieder geval hebben we altijd iets om over te praten. Een gezamenlijke passie. Want afgezien van degenen met de allerzwaarste letsels stappen de meesten weer op. Ik heb zelfs een hele stoere cliënt die ik heb mogen helpen met een nieuwe carrière en die inmiddels weer op zijn Harley chopper rijdt. Vind ik toch bijzonder na een onderbeenamputatie.


Discussie over de ernst van het letsel heb je bij motorongevallen dus zelden. Discussie over de schuldvraag des te vaker. De vooroordelen - die niet altijd onterecht zijn - spelen daarbij vaak een rol. Om te beginnen stelt de veroorzaker van het ongeval (bijna altijd een automobilist) natuurlijk dat de motor te hard heeft gereden. Het roekeloos rijden - als samenvatting voor alle doen en laten van de motorrijder - is een goede tweede.

Nog erger zijn misschien de verontschuldigingen. “Niet gezien. Ik dacht dat het een bromfiets was.” Of ook een mooie: “Ik dacht dat ik er nog wel voorlangs kon.” Juridisch natuurlijk weinig relevant maar het zet wel vaak de toon in de discussie. In combinatie met de genoemde vooroordelen lijdt dat vaak tot veel vertraging. Het duurt dan lang voordat je een begin kunt maken met de echte schaderegeling.

Zo herinner ik me een vrij recente zaak waar de motorrijder een langzaam rijdende auto ging inhalen die plotseling - zonder richting aan te geven - naar links afsloeg. Niet omdat daar een weg of afslag was maar om in de berm te parkeren en daar van het uitzicht te gaan genieten. De motorrijder genoot in de maanden erna wat minder van het uitzicht. Zijn humeur werd er niet beter op toen de verzekeraar eerst niets en toen 50% wilde betalen. Want de automobilist had wel richting aangegeven en de motorrijder mocht niet inhalen. Echt, het is gebeurd! Ik verzin het niet.

Hoezo zou je als motorrijder op een 60 km/u weg een auto die 30 km/u rijdt niet mogen inhalen? Hoezo zou je er rekening mee kunnen of moeten houden dat een automobilist in de berm gaat parkeren? Voor dat knipperlicht was geen bewijs. Foto’s van de locatie, Google Maps prints en een stevige brief waarin werd gedreigd met een procedure deden de verzekeraar uiteindelijk besluiten mijn cliënt toch volledig schadeloos te stellen. Maar wat een gedoe.

Het voelt dan wel goed dat ik echt iets voor een collega-motorrijder heb kunnen en mogen doen. Inmiddels kan ik wel een motorclub beginnen met motorrijders die ik door de jaren heb bijgestaan. Kan ik de verzekeraar - als er weer een onterecht standpunt wordt ingenomen - nog het argument van even langskomen met de MC geven. Ook grappig.

Bert Heida, Letselschadespecialist NIVRE-re