Bij letselschade is de belangrijkste schadepost meestal het inkomensverlies. Wij noemen dat verlies van arbeidsvermogen. Deze post wordt per jaar begroot en dan wordt gekeken hoeveel jaren schade wordt geleden; dat is de looptijd. Dus: hoe langer de looptijd, hoe hoger de schade.

Hoe wordt nu de schade per jaar bepaald?

Om de hoogte van de schade te bepalen wordt de formule S = H – R gebruikt. Schade is Hypothetisch inkomen min Restinkomen. Dat betekent dat we moeten bepalen hoeveel iemand verdiend zou hebben in een jaar. Als we dat weten trekken we daar vanaf wat hij of zij werkelijk heeft verdiend. Dat is dan de schade in dat jaar. Als iemand dus zonder ongeval netto in een jaar € 20.000,- zou hebben verdiend en daadwerkelijk na een ongeval € 7.500,- (WIA-uitkering), dan is de schade in dat jaar € 12.500,-. Hierdoor wordt ook duidelijk dat de vraag hoe lang die schade dan loopt, een heel belangrijke is. Bij een jaarschade van € 12.500,- en een looptijd van 30 jaar gaat het om veel geld.

Nu spreekt voor zich dat als iemand jong is ten tijde van het oplopen van de schade, de looptijd veel langer is dan wanneer iemand oud is. Maar tot welke leeftijd moet je dan rekenen? We gaan bij verlies aan arbeidsvermogen uit van de pensioenleeftijd, dat was dus tot 65 jaar en wordt dus tot 67 jaar. Als iemand 30 jaar oud is ten tijde van een ongeval, dan loopt zijn schade wegens verlies aan arbeidsvermogen 35 jaar. Echter, het kan goed zijn dat hij of zij niet meer hetzelfde pensioen opbouwt door het ongeval. Dat noemen we pensioenschade. Zo bekeken loopt de schade dus ook na het 65e of 67e jaar door. Bij andere schadeposten kan dat ook het geval zijn. Denk bijvoorbeeld aan huishoudelijke hulp kosten. Die houden niet op als iemand 65 jaar wordt. Maar ook als duidelijk is dat iemand na zijn of haar 65e levensjaar doorgewerkt zou hebben, kan de looptijd langer zijn. Ik moet erop wijzen dat de rechter dit laatste niet snel zal aannemen.

Discussies in letselschadezaken gaan vaak direct of indirect over looptijd

De aansprakelijke verzekeraars stellen zich vaak op het standpunt dat de looptijd van de schade korter is dan tot 65 jaar. Bijvoorbeeld omdat ze vinden dat de klachten dan niet meer aan het ongeval toe te schrijven zijn. Of men stelt dat de klachten er op een zeker moment ook wel geweest zouden zijn. Of ze vinden dat iemand op zeker moment wel weer aan het werk zal komen, zodat er vanaf dat onzekere moment in de toekomst geen schade meer is.

Een andere variant is dat men stelt dat iemand ook zonder het ongeval zonder inkomen zou komen te zitten. Als dat aannemelijk is, dan bekort dat inderdaad de looptijd.

Een voorbeeld van een letselschadezaak

In een zaak die bij de Hoge Raad is geweest kreeg de man na een zwaar ongeval een hartinfarct. Dat zou hem hoe dan ook overkomen zijn, ongeval of niet. Door het hartinfarct kon hij ook niet meer werken. De schade loopt dan tot aan het moment van het hartinfarct.

Dit soort discussies zijn in de letselschadepraktijk aan de orde van de dag en dat is ook begrijpelijk, want het gaat om grote belangen. Voor de eisende partij – aan die kant staat Pals Letselschade altijd – is het zaak, om ervoor te zorgen dat goed bewijs wordt verzameld om de eis te onderbouwen en om voorbereid te zijn op de discussie over de looptijd. Zorg dat u daarover goed advies inwint!