Een fietser of voetganger heeft in Nederland een aparte status. Ten opzichte van gemotoriseerde voertuigen worden deze “zwakkere” verkeersdeelnemers door wetsartikel 185 WVW (wegenverkeerswet) beschermd. Als u als fietser of voetganger letselschade heeft opgelopen door een verkeersongeval met een motorvoertuig dan wordt die schade bijna altijd voor minimaal 50 procent vergoed door de tegenpartij. Ook al heeft u zelf schuld aan het ongeval.

Aansprakelijkheid gemotoriseerd verkeer

Als motorvoertuigen worden onder meer auto’s, snor- en bromfietsen beschouwd. Een motorvoertuig levert extra risico voor de zwakkeren in het verkeer op door hun snelheid en gewicht. Volgens de Nederlandse wet ligt in dergelijke gevallen alle aansprakelijkheid bij de bestuurder van het motorvoertuig, tenzij die kan aantonen dat er sprake is van overmacht of “aan opzet grenzende roekeloosheid”. In de praktijk wordt deze uitzondering bijna nooit aangesproken. Zo dient gemotoriseerd verkeer bijvoorbeeld rekening te houden met mogelijke verkeersfouten van niet gemotoriseerd verkeer. Bij een fietser of voetganger onder de veertien jaar gaat de bescherming nog verder, en is een automobilist praktisch altijd aansprakelijk voor alle schade.

Schadevergoeding voor fietsers en voetgangers

Minimaal de helft van de schade bij fietsers en voetgangers wordt dus vergoed. Welk percentage van de schade boven de 50% vergoed wordt, hangt af van de specifieke omstandigheden: de ernst van het letsel, de wederzijds gemaakte verkeersfouten en de redelijkheid en billijkheid.

Voorbeeld van letselschade en artikel 185 WVW

In een drukke winkelstraat in Amsterdam reed een fietser door het rode licht en werd met 50 kilometer per uur aangereden door een automobilist. Wilde de automobilist met succes een beroep doen op overmacht dan moest hij bewijzen dat de verkeersfout van de fietser zo ongebruikelijk was, dat hij hiermee geen rekening behoefde te houden.

De automobilist had er echter rekening mee moeten houden dat er in een drukke winkelstraat weleens fietsers door rood kunnen rijden. Daarom kon de automobilist geen beroep doen op overmacht. Hij zou dus minimaal 50% van de schade moeten vergoeden.

Voor de bepaling van het werkelijke percentage boven de 50% schadevergoeding, speelden in dit voorbeeld de specifieke omstandigheden een rol: het niet aanpassen van de snelheid, het niet adequaat reageren toen de fietser in beeld kwam, en het feit dat de fietser ernstig gewond raakte. In dit geval moest de automobilist 100% van de schade van de fietser vergoeden.