€ 10.000 smartengeld voor vertraagde schadeafwikkeling

Hof Arnhem Leeuwarden 11 december 2018

1999

Het is 28 juni 1999. Jaap (naam gefingeerd) krijgt een auto-ongeval. Whiplash letsel. Zijn vrouw zat ook in de auto. Gebroken nekwervel. In december 1999 stappen ze naar een advocaat. Het begin van een zware tocht.

20 jaar later

Het is 11 december 2018. Op een haar na 20 jaar later. Het Hof velt een eindoordeel in de zaak van Jaap. De rechter constateert daarbij dat er sprake is geweest van een bijzonder stroperig verlopend letseldossier. Niet ongebruikelijk voor dit soort zaken in de periode tot 2006, aldus het Hof. Maar wel daarna. In 2006 is de eerste Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) in werking getreden, gericht op een voortvarende afwikkeling van letselschadezaken. Het heeft Jaap niet geholpen: de dossierbehandeling is daarna zelfs nog verder vertraagd.

Instituut voor Personenschade: 2000

Het oordeel van het Hof rond de de lange duur van de letselschadebehandeling is in een aantal opzichten interessant. Allereerst natuurlijk dat het Hof daarvoor een specifiek bedrag aan smartengeld toekent. Dat is nieuw. Maar ook: de vaststelling dat dat voor 2006 niet ongebruikelijk was. Hetgeen door het Hof niet als onrechtmatig, en schadeverhogend wordt gezien. Dat is vreemd. Ik herinner mij de visie daarop van Jan Misana, toenmalig lid van de Raad van Advies van het Instituut voor Personenschade : in het Assurantie Magazine van 4 februari 2000 (!) stelde hij al dat een lange looptijd schadeverhogend werkt in verband met de daarmee gepaard gaande psychische belasting.

De rechter: 1988

Eerlijk is eerlijk: helemaal nieuw was die visie van Misana natuurlijk niet. De Rechtbank Alkmaar nam al in 1988 in een geval van letselschade de lange duur van de procedure en de belasting voor de betrokkene in aanmerking bij de bepaling van de omvang van het smartengeld (Rb Alkmaar 15 december 1988, ANWB/VR 1997, nr. 78).

Duitsland in de vorige eeuw

Ook in ons buurland was dat al normaal. Als de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker de afwikkeling onredelijk had vertraagd, dan werd dat al in de vorige eeuw in Duitsland onrechtmatig geacht, en aan de veroorzaker van het ongeval toegerekend. De veroorzaker van de schade is in Duitsland dus aansprakelijk voor het (onrechtmatig vertragende) gedrag van zijn aansprakelijkheidsverzekeraar.

Verheij: 2002

Verheij wist het ook in 2002: in zijn proefschrift ”De vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon” stelt hij dat de rechter bereid blijkt het smartengeld hoger vast te stellen in verband met de lange duur van de procedure of de houding van de aansprakelijke persoon. Het gedrag van de verzekeraar in het kader van de schadeafwikkeling heeft derhalve consequenties. Alleen was niet toen altijd duidelijk hoeveel de verhoging van het smartengeld in verband met de vertraging dan was. En dat is het nu wel.

Terug naar het Hof: € 10.000 smartengeld voor onrechtmatige vertraging

Het heeft in de zaak van Jaap ook na 2006 volgens het Hof allemaal (veel) te lang geduurd. Jaap’s psychische toestand is door de lange doorlooptijd verslechterd. Het Hof vindt de te lange doorlooptijd onrechtmatig, en kent Jaap daarvoor een smartengeld toe: van € 10.000,00. Dat valt toe te juichen. Echter: het Hof kent deze vergoeding alleen toe voor de vertraging van na 2006. De nodeloze vertraging van voor die tijd vindt het Hof kennelijk niet onrechtmatig, omdat dat toen gebruikelijk (?!) was. Ik herinner mij in dat verband de zaak Cijsouw II. Vrij vertaald heeft de Hoge Raad in die kwestie geoordeeld dat het beroep op gebruikelijk gedrag van een branche niet leidt tot bevrijding van aansprakelijkheid . Anders gezegd: als een hele branche iets doet dat onrechtmatig is, dan is het nog steeds onrechtmatig. Het oordeel van het Hof over de vertraging van voor 2006 (gebruikelijk en dus niet onrechtmatig) acht ik dan ook onbegrijpelijk. Als de verzekeringsbranche gebruikelijkerwijs iets doet dat onacceptabel is, dan is dat nog steeds onacceptabel.

Enkele duizenden letselschadezaken per jaar duren langer dan 3 jaar.

Deze zaak lijkt de spreekwoordelijke uitzondering. En dat is hij niet. Het Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV) schat dat ook anno nu, in de periode 2012–2016 zo’n 65.000 nieuwe letselzaken per jaar worden gemeld. Uit het Rapport Diepteanalyse GBL 2014 blijkt dat gemiddeld 89,5% van deze zaken binnen twee jaar wordt afgehandeld. Dat is mooi. Maar: ruim 10% betreft de complexere, langer lopende zaken. Specialisten in het werkveld weten dat in die gevallen een looptijd van 5–15 jaar geen uitzondering is. Verder weten we ook dat een derde van alle zaken met een belang van meer dan € 10.000 langer duurt dan twee jaar. Jaap stond en staat in zijn eenzame gevecht niet alleen.

De Letselschade Raad: onderzoek naar te lange looptijden

In opdracht van Minister Dekker doet de Letselschaderaad (DLR) sinds juni 2018 onderzoek naar de oorzaken van de grote vertragingen in letselschadezaken. Dat onderzoek had volgens planning inmiddels afgerond moeten zijn. Helaas is onlangs bekend geworden dat de onderzoeksresultaten zijn met een half jaar vertraagd. De resultaten worden in juni 2019 verwacht.

Mediation: voorkomen van lange looptijden

Er valt veel winst te behalen door een andere keuze te maken. Beter samen te werken. Mediation is zo’n keuze: het biedt partijen snelle, goed beargumenteerde en weldoordachte oplossingen, en zekerheid voor de toekomst. Het voorkomt veel te lange doorlooptijden, en sinds 11 december 2018: ook een verhoogde smartengeldvergoeding.

Het recht op mediation voor letselschadeslachtoffers

De Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL) van 10 juli 2012 is gericht op de bevordering van mediation in letselschadezaken. Gedragsregel 8 kent het recht op mediation van een letselschadeslachtoffer na verloop van drie jaar. Toch: in letselschadezaken wordt daarvan bedroevend weinig gebruik gemaakt. In (geschat) zo’n 200 zaken per jaar.

Naleving van de GBL: bekorten van de looptijd

Verzekeraars worden binnenkort uniform getoetst op de naleving van de GBL. Zij zijn verplicht om eens in de drie jaar een audit te laten uitvoeren waaruit blijkt dat ze de GBL nakomen. Dat betekent dat ze ook moeten laten zien dat ze na een looptijd van drie jaar mediation gaan inzetten. Fijn voor rechtshelpers om te weten dat ze daar een beroep op kunnen doen. https://www.verzekeraars.nl/publicaties/actueel/uniforme-toetsing-voor-letselschade-verzekeraars

Onderzoek naar mediation door ZAM/ACB: 2018

Begin december 2018 publiceerde ZAM/ACB de resultaten van het onderzoek “Kansen en Belemmeringen voor Zakelijke Mediation”. Het rapport concludeert dat zowel advocaten, bedrijven als rechters positief oordelen over deze alternatieve vorm van conflictoplossing.

De kans van slagen van een mediation

De kans van slagen van een mediation is groot. Uit het onderzoek van ZAM/ACB blijkt dat zowel advocaten als bedrijven een slagingspercentage rapporteren rond 75%. Het is dus de moeite waard om van mediation in letselschadezaken een volwaardig, vanzelfsprekend onderdeel van het gebruikelijke (juridische) systeem van geschiloplossing te maken.

2019: het jaar van mediation in letselschade?

Be the change you wish to see in the world (Ghandi)!

Auteur: Lydia Charlier

bron: medium.com