Sinds 2005 behartigt Pals Letselschade de belangen van veteranen die door hun uitzending PTSS hebben opgelopen. De zorgplicht van de werkgever houdt in het toezien op veiligheid van de werkplek. Echter kan ook gezegd worden dat deze zorgplicht verder gaat dan toezien op veiligheid. Namelijk de verplichting om ook in de voorbereiding, begeleiding en nazorg ten opzichte van de werknemer zorg te dragen. Pals Letselschade is van mening dat Defensie in de voorbereiding, begeleiding en nazorg aan veteranen ernstig tekort heeft geschoten.

Inlossen ereschuld veteranen

In 2012 is er een regeling bereikt voor het inlossen van de ereschuld voor veteranen. Deze regeling geldt voor militairen die ten gevolge van inzet tijdens oorlogsomstandigheden of een crisisbeheersingsoperatie invalide zijn geraakt, voor 1 juni 2012 een eerste aanvraag voor een militair invaliditeitspensioen (MIP) hebben ingediend en voor 1 juli 2007 zijn ontslagen. De hoogte van de uitkering hangt af van het invaliditeitspercentage of het arbeidsongeschiktheidspercentage, indien de invaliditeit de oorzaak is van de arbeidsongeschiktheid. De grondslag van de regeling is een bedrag van € 125.000,-. De daadwerkelijke uitkering is het percentage MIP of arbeidsongeschiktheid van dit bedrag.

Rekenvoorbeeld ereschuld

Indien er sprake is van 100 procent MIP, dan heeft een veteraan recht op het gehele bedrag. Is er sprake van bijvoorbeeld een percentage MIP van 50%, dan heeft de veteraan recht op de helft. Als de mate van invaliditeit lager is dan 10 procent, dan ontvangt de veteraan 5 procent van het genoemde bedrag.

De uitkering is eind 2012 uitbetaald, mits de veteraan een militair invaliditeitspensioen heeft en er sprake is van een medische eindtoestand. Mocht er nog geen sprake zijn van een medische eindsituatie dan zal de uitkering worden uitbetaald zodra hier wel sprake van is. Voor de uitbetaling van de regeling hoeft een veteraan verder geen actie te ondernemen. Door het ABP Bijzondere Regelingen Defensie wordt de veteraan geïnformeerd omtrent de uitkering die wordt toegekend.

Uitspraak Centrale Raad van Beroep Dave Maat

In maart 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep een uitspraak gedaan in een letselschadezaak van een Dutchbat III veteraan. De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat de Minister van Defensie in deze zaak inderdaad niet heeft voldaan aan de op hem als werkgever rustende zorgplicht en daarom verantwoordelijk is voor de door de Dutchbat III militair geleden schade. Het betrof daarbij met name een gebrek in de nazorg.

Deze uitspraak is positief en bemoedigend voor veteranen met gediagnosticeerde PTTS (en dus een MIP) ten gevolge van een uitzending die nog resterende schade lijden waarvoor zij vergoeding willen vorderen van de minister.

Freek Schultz van Pals Letselschade: ‘Deze uitspraak is erg belangrijk voor de militairen die letsel hebben opgelopen door hun uitzending. Hieruit blijkt dat het toenmalige ministerie van Defensie onvoldoende maatregelen heeft genomen om een blijvende posttraumatische stressstoornis `PTSS` te voorkomen. Met name in het kader van de zorgplicht als werkgever heeft het ministerie van Defensie niet goed gehandeld. Als je de uitspraak breder trekt en kijkt naar de nazorg van verschillende militairen, dan kan het zijn dat militairen met PTSS mogelijk recht hebben op een schadevergoeding. In overleg met de militairen gaan wij opnieuw bezien welke juridische stappen mogelijk zijn in hun specifieke zaak’.

Houding Defensie letselschadezaken

Naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is er door Pals Letselschade contact opgenomen om te vernemen van Defensie of zij bereid is om in lopende zaken alsnog aansprakelijkheid te erkennen dan wel in gesprek wil gaan omtrent een regeling van de schade. Defensie heeft aangegeven dat zij van mening is dat de zaak van de Dutchbat III veteraan volledig op zichtzelf staat. Volgens Defensie is de die zaak niet vergelijkbaar met andere veteranenzaken en dat geldt volgens Defensie zelfs ook voor andere ex-militairen die eveneens in het kader van Dutchbat III uitgezonden zijn geweest. Defensie heeft aangegeven iedere zaak individueel te willen beoordelen.

Dit geldt niet alleen ten aanzien van de feiten en omstandigheden van de desbetreffende uitzending -die kunnen volgens Defensie van geval tot geval verschillen-, maar ook voor wat betreft de medische dossiers.

Conclusie van het telefoongesprek met Defensie is dat zij niet bereid is om alsnog aansprakelijkheid te erkennen en/of met ons in gesprek te gaan over een mogelijke regeling van de lopende letselschadezaken. Ook voelt Defensie niets voor het maken van (algemene) werkafspraken die de behandeling van alle zaken zouden kunnen vergemakkelijken.