Bah!

Als de nood het hoogst is, zijn de bosjes dichtbij. Toen de horeca nog gesloten was, kwamen fietsers en wandelaars in de problemen door het ontbreken van sanitaire voorzieningen. Dat heb ik zien gebeuren.

Bert_Bah_Web (1).jpg


Sinds de tweede lockdown werkte ik alleen nog maar vanuit huis. Tussen de middag maakte ik dan een ommetje. Doe ik overigens nog steeds. Vind onze Labrador ook fijn. We wonen vlakbij het bos en daar is het goed toeven, hebben ook veel andere mensen vastgesteld. Bij de rand van het bos staat een verweerd houten picknickbankje. Een dame van middelbare leeftijd stond er met twee fietsen wat ongemakkelijk om zich heen te kijken. Ik groette vriendelijk en zag ondertussen iemand in de bosjes staan. Haar man ongetwijfeld die een plasje deed. Toen ik nog een keer keek kwam hij echter overeind om zijn broek omhoog te doen. Het was een vrolijk gekleurde onderbroek zag ik nog.

Een paar minuten later fietsten ze mij voorbij. De ANWB-combi: zelfde jas, zelfde fiets. De man keek strak voor zich uit, zijn vrouw gaf nog een onbegrijpelijk commentaar: “Zo kun je ook snel verder zijn.” En onderwijl dacht ik aan alle toiletten die ik in de loop der jaren heb bezocht. Soms valt het niet te voorkomen dat je onderweg bij een klant toch even gebruik moet maken van het toilet. Liever niet. Maar als de nood het hoogst is… dan is het fijn dat je daarna rustig verder kunt praten. Dan denk ik liever niet meer aan de keer dat het prullenbakje uitpuilde met gebruikt maandverband. Of die keer dat ik zelfs niet in de hoogste nood zou hebben gevraagd om gebruik te mogen maken van het toilet.

Van buiten viel de woning in het rijtje al op door het ontbreken van verf op de kozijnen en de oververtegenwoordiging van onkruid en rommel. De deur stond open, ik mocht doorlopen. Bij het betreden van de gang sloeg er een kwalijke walm van kattenbak in mijn gezicht. In de deuropening van de woonkamer heb ik mijn hand voor de mond geslagen en kon ik alleen maar zeggen: “Oh, meneer…” Het was één grote bende. Overal lag rommel. De salontafel stond afgeladen met volle asbakken, borden met etensresten, doosjes, pakjes en zooi. Meneer had duidelijk op de bank geslapen want de slaapzak lag er nog. “Zullen we maar in de keuken gaan zitten?”, vroeg mijn cliënt die zich nog wel verontschuldigde voor de rommel. Sinds zijn vrouw was overleden (de reden van mijn bezoek) was de huishouding er een beetje bij ingeschoten. Een understatement gelet op de toestand van woning en hetgeen er van de keukentafel gehaald moest worden. Terwijl ik door mijn mond bleef ademen heb ik wat zaken aan de kant gezet en (ik verzin het niet) een vieze onderbroek in een hoek gegooid.

Of ik wat wilde drinken? Ik heb ervoor bedankt. De meneer van de verzekeringmaatschappij die een half uurtje later kwam, wilde wel iets drinken. Vroeg wel om een schoon kopje. Dat dan wel, en kreeg vervolgens een kopje thee uit een koffiepot met twee opgezwollen theezakjes, die er al ik weet niet hoe lang stond. “Ja, ik houd van een sterk kopje thee” zei mijn cliënt ook nog. Ik heb de schaderegelaar van de verzekeraar later nog gebeld om te vragen of hij niet ziek was geworden. Ik zou dat niet hebben gedronken. Laat staan dat ik daar naar de wc zou zijn gegaan.

De dag na mijn ontmoeting met het ANWB-stelletje liep ik hetzelfde rondje met onze hond. Die was op enig moment verdwenen. Na drie keer roepen kwam hij eindelijk uit de bosjes terwijl hij met een vergenoegde blik op de bek slikte…. Nee, het was een andere plek. Maar ik dacht hetzelfde als u en moest een braakneiging onderdrukken.

Bert Heida, Letselschadespecialist NIVRE-re